De toekomst heeft tanden

Waarom doen jullie niets? Waarom houden jullie vast aan een systeem en de bijhorende politiek wanneer het steeds duidelijker wordt dat dit naar planetaire destructie leidt? Dat waren de vragen die stakende scholieren en studenten in zowat heel Europa de voorbije maanden aan politici stelden. Verder doen zoals we bezig zijn, is geen optie. Rapporten over de klimaatverandering zijn al meer dan tien jaar extreem alarmerend. De natuur als inert decor voor ons menselijk handelen is een achterhaald principe. De natuur is zelf een politieke speler geworden. Het decor klom op het toneel en zorgt voor een essentiële plotwending.

De Nederlandse socioloog Willem Schinkel noemt het diluviale politiek: een politiek die willens en wetens de zondvloed naderbij brengt, die de destructie op de koop toe neemt. We beseffen het gevaar, we kennen de redenen en toch veranderen we niet van koers. Ondanks alle wetenschappelijke bewijslast en ondanks een wetenschappelijk panel dat noodzakelijke alternatieven naar voor schoof werden de klimaatjongeren op 26 mei toch opnieuw geconfronteerd met een overwinning van die diluviale politiek.

Hebben wij daarvoor zo hard gewerkt? Om al onze gemakken weer af te geven?, was de kop van een artikel in De Standaard over het diepe wantrouwen in Vlaanderen tegenover een doortastender klimaatbeleid. De gemiddelde Vlaming beseft misschien wel dat de belofte van een almaar beter, ‘moderner’ leven nog moeilijk na te komen is maar gelooft vooralsnog niet in een alternatief. Op onze mentale kaart staat één diep ingesleten weg die naar het goede leven leidt. Alternatieve routes blijken nauwelijks denkbaar of zorgen voor grote angst. De emoties laaien snel hoog op. Rationaliteit is vaak ver weg. Als we van koers willen veranderen dan volstaan wetenschappelijke systeemanalyses duidelijk niet. We zullen ook de passies die spelen, moeten leren begrijpen.

Om te beginnen de passies die we projecteren op dat grote modernistisch-kapitalistische project, geboren uit de Verlichting, in de stijgers gezet door de Franse Revolutie en tot paradijs uitgeroepen in The American Dream. Het optimisme verbonden aan die droom vindt zijn oorsprong niet alleen in de effectieve materiële vooruitgang maar ook in de onbewuste fantasieën die ermee verbonden zijn en die onze emoties sturen. Twee eeuwen lang wees de pijl van vooruitgang, innovatie, groei, ontwikkeling, grenzeloze mogelijkheden, zelfrealisatie en winst ons de weg van de kerktoren richting de hele wereld. Het affect van die pijl – het onbewuste kader waarin onze emoties vorm krijgen – was bijzonder effectief. Het deed onze fantasie op hol slaan ook al wisten we dat er risico’s aan verbonden waren en dat er slachtoffers vielen.

In het ‘kunnen leven met’ die slachtoffers ligt het werkelijk ingenieuze van het modernistisch-kapitalistische affect. Wat ons toelaat te leven met die problematische mix van goed en kwaad, van luxe en precariaat, van winnaars en verliezers, van opbrengst en afval is een andere tijd-ruimte relatie: geautomatiseerde productie en een voor buitenstaanders nauwelijks binnen te dringen economisch systeem hebben de relaties op de markt van menselijke en materiële transacties veel abstracter gemaakt. Wat er met het menselijke en materiële afval van al die productie vandaag en in de toekomst zou gebeuren, kon ons daardoor steeds minder deren. De waarheid werd abstract! Op de materiële kaart van het modernisme waren steeds minder wegen te herkennen en net daardoor kon die ene weg van de moderne droom zo diep inslijten op onze mentale kaart. De droom raakte steeds verder losgezongen van de werkelijkheid. Desoriëntatie was het gevolg.

Cruel Optimism noemt de Amerikaanse filosofe Lauren Berlant het: toch vasthouden aan een droom in het besef dat de structurele en maatschappelijke omstandigheden de vervulling ervan verhinderen. Berlant onderzocht via analyse van kunstwerken uit verschillende disciplines hoe mensen de uitputting van de werkelijkheid beleven, hoe ze zich zintuigelijk en affectief trachten aan te passen aan de situatie, welke nieuwe belevingsvormen van het heden ze uitproberen. Zo kwam ze tot haar concept van Lateral Agency (zijdelings handelen): kleine praktijken van zelfonderbreking, zelfopheffing en zelfopschorting waardoor de eigen waardenstructuur langzaam kan worden losgewrikt zonder daarbij onmiddellijk de focus te leggen op ‘het komt goed’. Ze vermijdt daarmee de verlammende tweedeling tussen hegemonie en tegenpraktijk, tussen aanvaarding en verwerping.

Ook de Franse filosoof Bruno Latour stelt in Où atterrir ? (Waar kunnen we landen?) dat de oplossing voor onze desoriëntatie niet meer te vinden is in het beslechten van de strijd tussen oud en nieuw, tussen lokaal en globaal. Zeker na de meedogenloze neoliberale versie van de mondialisering en de steeds heftiger wordende reactie van de verliezers in de vorm van extreem nationalisme en religieuze orthodoxie, is er nog weinig heil te verwachten van de moderne as tussen lokaal en globaal. Net als Berlant pleit Latour voor een stap opzij, een zijwaartse verschuiving van aandacht, energie en innovatie, in een richting die zich voorzichtig begint af te tekenen. Hij noemt die nieuwe richting het Aardse, een plek waar lokale specificiteit en globale interdependentie samen komen, een complex biofysisch web van menselijke en niet menselijke actoren vol met feedback-effecten dat door niemand meer gecontroleerd wordt. Een plek zonder midden en al zeker niet met de mens in het midden! Maar als onze nieuwe plek een complexe warboel is die we zelf niet meer kunnen controleren, hoe genereren we dan een verlangen naar die plek? Hoe maken we dat Aardse aantrekkelijk? Daarvoor moeten we niet alleen de materiële werkelijkheid opnieuw concreet maken door zoveel mogelijk complexe relaties zorgvuldig te beschrijven, maar moeten we vooral ook onze mentale kaart rijker maken. Het Aardse moet opgeladen worden met affect. Latour ziet daarbij een belangrijke rol weggelegd voor de kunsten en meer bepaald voor het theater. Hij beschouwt een theater als een ideaal apparaat om onze sensibiliteit voor het Aardse te vergroten: een potentieel parlement van mensen én dingen dat barsten kan maken in het pantser.

Laten we hopen dat al onze politici begrijpen dat de toekomst tanden heeft gekregen en dat de beet zelfs bijzonder giftig zou kunnen zijn. Laten we hopen dat hun antwoord zich niet opnieuw inschrijft in een ontspoord modernistisch-kapitalistisch project maar dat de concrete materiële waarheid zijn rechten krijgt. En vooral dat ze zullen inzetten op het ontwikkelen van een nieuwe mentale kaart die andere routes naar het goede leven toelaat.

– Guy Gypens & Katleen Van Langendonck

 


BRONNEN
Willem Schinkel, Pleidooi voor Prepresentatie, De Groene Amsterdammer, 2019 nr. 9
Lauren Berlant, Cruel Optimism, Duke University Press, 2011
Bruno Latour, Où atterrir ?, Editions la Découverte, 2017 / Waar kunnen we landen?, Octavo, 2018 / Down to Earth, Polity Press, 2018